OVERGEVEN

‘Mam, wil je boven komen?’
Ik spring op. Aan de toon van zijn stem hoor ik dat er iets is.
In de loop grits ik een emmer mee.

Zoon staat gebukt boven de toiletpot.
‘Ik voel me niet lekker’ zegt hij, de tranen lopen langs zijn witte gezichtje. Hij is bang voor overgeven.
Als iemand anders moet spugen, is hij weg. Het huis uit. Dan wacht hij elders tot de kust weer veilig is.
Ik sla een ochtendjas om zijn trillende lijf om samen naar beneden gaan. Naar de warme kachel.

Hij kruipt bij mij op schoot. Het kan nog, het past nog. 11 jaar is hij alweer. Als de dag van gisteren voel ik ons eerste fysieke contact. Zijn warme, natte lichaampje op mij liggen, voel ik hoe hij aan mijn borst drinkt, zie ik hem kruipen door de kamer.

De tijd glipt door mijn vingers. Geniet ik wel genoeg?

Hij is zo moe en wil naar bed. Als ik hem toestop vraagt hij of ik nog even bij hem wil liggen. Genoegelijk kruipt hij tegen mij aan.
‘Ik ga alle leuke dingen van vandaag opnoemen, daar word je namelijk beter van’
Terwijl hij ligt te kletsen, drijf ik weg, achter de Grote Gedachten aan.
Wat moeten ze als…, hoe moet het als…., stel dat ik….
Net als de Grote Gedachten met me op de loop willen gaan zegt zoon;
‘mam, vind jij het ook zo fijn bij mij in bed? Mijn heerlijkste plekje van alles, is bij jou’
Ik ben weer terug in zijn bed, dicht bij hem. Ik ben er NU.

  Groei
 ‘Zou een boblijn mij leuk staan mam?’
Ze vouwt haar lange blonde haren op, om zo een soort van boblijn te creëren.
Regelmatig laat ze me foto’s zien van kortere kapsels en vraagt dan naar mijn mening.
Ik ben op de helft van mijn chemo behandelingen en ik ben kaal.
Opgeblazen, rood en kaal.
Dat ik kaal zou worden, stond vast.
Hoe dat zou zijn, niet.
Het was spannend voor ons allemaal, dat kaal zijn.
Ik wist gelijk dat ik geen pruik zou gaan dragen.
Ik zag het al helemaal voor me, ben ik ergens, hangt die pruik scheef en uit beleefdheid Is er niemand die er iets van zegt. 
Wat zou erger zijn, dat iemand zegt dat je haar scheef hangt of dat niemand zegt dat je haar scheef hangt.
Of, floep, daar gaat ie, met de wind mee.
Net iets voor mij.
Nee, voor mij geen pruik.
Ik zoek het in de acceptatie.
Het is wat het is.
Mijn moeder haakt bij elk tenue een bijpassend mutsje.
Hip en warm.
Voor elke dag een andere.
Ook draag ik de donker blauwe Stetson van mij vader.
Hier voel ik me goed bij en daar gaat het om.
Ik blij en m’n moeder voldaan.
Win-win.
   ‘Hoelang zou het duren voordat ik het weer zo lang heb denk je?’
Zij is van de voorzetjes, ik van het schot.
Ik maak de afspraak bij de kapper en de lange, blonde vlechten gaan in een enveloppe naar KIKA
Dáár was het mijn dochter om te doen.
Het liefst wilde ze dat ik haar haren kon dragen, de schat, maar hé, ik wilde geen pruik.
Nu staat ze weer voor me, haar haren los over haar schouders.
De krullen dansen op mijn hoofd.
Het is alweer een jaar geleden dat ze het liet knippen en een jaar geleden dat ik kaal was flits het door mijn hoofd.
   ‘Ik denk dat ik het ongeveer tot hier laat groeien’  ze wijst een plek aan op haar rug.
We pakken een lineaal en meten dat haar haren het afgelopen jaar 14 cm zijn gegroeid.
14 cm in 12 maanden. 
12 bewogen maanden, waarin niet alleen ons haar gegroeid is.  

Piepschoem

Ik ben al ruim een week niet fit, wat geen positieve bijdrage levert aan mijn geestelijke gezondheid, merk ik. Ongemerkt heeft mijn blik een andere invalshoek gekregen, één waar ik niet blij van word. 

Twee weken geleden, in de wachtkamer bij de huisarts, is het begonnen, het doemdenken. 

Ik zit met de jongste rustig te wachten op onze beurt als ze er aan komen schuifelen. Twee oude mensen. Ooit waren ze jong, leerden ze fietsen en schaatsen. Werden ze verliefd en gingen trouwen. Kregen kinderen en werkten. Ooit waren ze sterk. Maar de tand des tijds slaat niemand over. Dus ook zij niet. Nu zijn ze hier. Moeizaam ter been, slechthorend en een afgetakeld lichaam, misschien een kwakkelende gezondheid, misschien ernstig ziek, net als ik. 

Ze gaan naast mij zitten, de Ongenode Gasten en praten ongevraagd mee.  “Zij hebben het gehaald, een heel leven en jij moet dat nog maar zien” 

Als ik om me heen kijk zie ik enkel nog verval. Er is maar één weg, die naar het einde. 

De Ongenode Gasten hebben gelijk, ik moet dat nog zien te halen. 

Ze blijven de rest van de week bij me en denken enthousiast mee, de verkeerde kant op. Het lukt me om te functioneren als moeder, vrouw, vriendin, (schoon)dochter etc. En toch ben ik er niet bij. “Iederiene die hef zich een kruus te droagen. Ik wens je een kruus van piepschoem” schrijft een vriendinnetje van vroeger aan mij, refererend aan een lied van Daniël lohues.

Helaas waren die al op toen ik aan de beurt was. 

Ik glimlach om haar lieve wens en tegelijkertijd besef ik dat vriendschap en liefde mijn kruis lichter maken.