De Haven.

Ondanks dat het buiten erg warm is, heb ik het koud. We zitten, voor de tweede keer, in de wachtkamer van het bestralingscentrum.  Door de gaten in mijn geheugen, kan ik me hier niets meer van herinneren en lijkt het of ze verbouwt hebben. Onze koningin staart me aan, vanaf de leestafel. 

“Tik tik tik tik” kordate hakjes onder een witte jas  komen onze kant oplopen. Kort koppie en n olijk gezicht. ‘Oh leuk, dat is ze vast’ fluister ik Theo al stotend aan. Als ze mijn naam noemt, blijk ik gelijk te hebben. Ik kijk op de klok, ze is exact op tijd. Met een vriendelijke glimlach stelt ze zich voor. Mijn radio-therapeut. Ik vind haar gelijk leuk en er komt iets van licht en lucht in mijn gespannen zijn. 

Ze loopt  vlot voor ons uit, haar spreekkamer in.

Bij binnenkomst valt mijn oog op het computerscherm, met daarop beelden van mijn lichaam, weet ik ondertussen te onderscheiden uit die vage schaduwen. Beelden met stipjes. Tijdens de onderzoeken wilde ik geen beeldmateriaal zien. Theo zat er met zijn neus bovenop. Ik geloofde het wel. Te confronterend. Alles stap voor stap. Als ze vraagt hoe het gaat, ben ik al in tranen. De chemo zit nog volop in mijn lijf, ik ben gespannen en emotioneel. Bang voor wat er komen gaat.

Bewust lees ik niets op internet over mijn ziekte en vraag ik dokter Google niet om raad.   Advies en verhalen over bijwerkingen krijg ik zo wel, ongevraagd, uit mijn omgeving. Zelfs de desbetreffende zalf, die ik het best kan gebruiken voor de open wonden die ik straks krijg, wordt aanbevolen. Ik word daar onzeker van en bang. Wat staat mij te wachten?

Ik heb geluk. Tegenover mij zit een heldere, lieve arts. Ze ziet mijn strijd. Rustig legt ze alles uit en waar ik de draad kwijt ben, legt ze het nog een keer uit. Wat ga ik doen? Nog een operatie met kans op toch ook nog bestralen? Of alleen bestralen? Ook de, eventuele, bijwerkingen bespreken we. Alles wat kan gebeuren maar niet hoeft te gebeuren. Dat hoort erbij, de patiënt volledig inlichten.

Het is een groot “niet weten” alles is “misschien” of “kans op” Het tolt door mijn hoofd. ‘Wat moet ik doen?’ Vraag ik haar. ‘Luister naar je gevoel, dan doe je wat bij jou past’ Aangezien ik zo weinig mogelijk behandelingen wil, en bestraling net zo effectief als opereren is, kies ik voor de boot van de bestraling. Haar boot.

Bij het afronden, zeg ik toch nog even dat haar meisjesnaam mij bekend voorkomt. En daar gaat haar blik naar Theo. ‘Nou, dan wend ik mij tot u. U komt mij zo bekend voor!’ Algauw blijkt dat ze elkaar al eens hebben ontmoet en waar de connectie ligt. En dan blijkt ze ook nog eens gewoond te hebben in het huis waarin mijn vriendin nu woont. In ons dorp! Geamuseerd nemen we afscheid.

Ik stap in deze boot, en met haar als  mijn kapitein vertrouw ik erop dat ik de haven bereik. 

De haven heb ik bereikt, met haar.

Mijmerend sta ik nu op een andere boot. De boot van Harlingen naar Terschelling. We zijn een jaar verder. Ik haal diep adem, geniet van de zeewind op mijn gezicht en stap de haven op. Deze keer die van Terschelling.

Het is weer een zonnige dag, de zoveelste. Na een schitterend paasweekend schijnt ze vrolijk door. Ik doe wat ik denk te moeten doen. Stofzuigen, hond uitlaten, praatje maken met mensen die met de boot voor ons liggen, thee zetten én op de klok kijken. Dit alles met een steeds strakker wordende knoop in mijn maag. Man komt op tijd thuis om mij bij te staan. We hebben het er niet over. We praten niet over het grote “als”. 

Tijdens de rit naar het ziekenhuis verwonder ik mij over de gestaag groen wordende bomen. Was dat vorig jaar om deze tijd ook zo? Ik weet het niet meer. Vorig jaar om deze tijd had ik nog twee chemo’s te gaan.  Hoe anders sta ik er nu voor. Hoop ik. Als we de auto parkeren, kijk ik ook hier om me heen. Alles komt binnen. De zon, het fluiten van de vogels, de geur van de bloesem, het jonge blad aan de bomen, pratende mensen en stille mensen. Wij zijn, op het oog, een gezellig pratend stel. Niets is wat het lijkt. 

In de wachtkamer op de mammapoli zitten dames zwijgend in tijdschriften te bladeren. Wachten op wat komen gaat. 

Als we na de mammogram gevraagd worden bij de arts te komen, voel ik niets. Ik ben leeg. Niet bang, niet boos of verdrietig, niet nerveus, niet vol vertrouwen. Gewoon niets. Wanneer blijkt dat er op de foto ook niets is gezien, stroom ik weer vol. Vol geluk, leven,  liefde én zin. Zin in het leven. Nu hebben we het wél over “als”. Als we thuis zijn, gaan we de vakantie regelen! Buiten schijnt nog steeds de zon en het lijkt nóg groener.

Leiden of lijden

‘Mam heb je al iets gehoord van het UMCG over de uitslag van het erfelijkheidsonderzoek?’ We staan in de badkamer. Ik poets mijn tanden en zij staat onder de douche. Het is de zoveelste keer dat ze me, schijnbaar achteloos, deze vraag stelt.

‘Ze is nog maar 13’ flits het door mijn hoofd.

‘Heb ik er wel goed aan gedaan om haar in deze procedure te betrekken? Waar belast ik haar mee? Wat als…?’

De Ongenode Gasten doen hun intrede. Ze hebben gelijk een mening én een conclusie, namelijk dat ik het niet goed heb gedaan en dus geen goede moeder ben.

Ondertussen wordt er achter mij, druk doorgekletst over een moeder van een vriendinnetje van een meisje die ook borstkanker heeft maar niet meer beter wordt.

‘Jij bent beter, toch?’

Terwijl ze het zegt zie ik in één oogopslag de check én de scan.

Ik hum met de tandenborstel in mijn mond.  De Ongenode Gasten hummen mee de andere kant op.

De kant die ik niet op wil.

Ik spuug de tandpasta uit, spoel mijn mond en kijk haar aan.

‘Hoe is het voor jou dat we wachten op deze uitslag?’ Vraag ik haar.

‘Eerst vond ik het heel spannend en dacht ik er steeds aan, nu denk ik, ik zie het wel en als het zo is zien we het dan wel weer.’

Met afhangende schouders druipen de Ongenode Gasten af. Dáár hebben ze het niet van terug. Dát is je leven leiden i.p.v. lijden.

Een paar dagen later sta ik met een enveloppe van het UMCG in mijn handen bij de brievenbus. Hij brandt in mijn vingers. Mijn ademhaling versnelt en mijn hart klopt harder dan anders.

Ik sta stil.

Ik weet hét nog niet.

Ik sta op een grens waarvan ik denk te weten waar ik nu ben en niet weet hoe het zal zijn na het openen van deze enveloppe.

Negeren zal niet gaan.

Met trillende vingers peuter ik het papier kapot. Lezen gaat niet. Mijn ogen zoeken maar één woord en ze vinden het. GEEN, staat er vet gedrukt. Meer hoef ik niet te lezen. Tranen van blijdschap én opluchting lopen over mijn wangen. Als ik mijn dochter dit nieuws vertel blijft het even stil aan de andere kant van de lijn…..echt?….YEAH!!!  Het is niet erfelijk, we krijgen geen borstkanker! Roept ze haar broertje toe.

 

OVERGEVEN

‘Mam, wil je boven komen?’
Ik spring op. Aan de toon van zijn stem hoor ik dat er iets is.
In de loop grits ik een emmer mee.

Zoon staat gebukt boven de toiletpot.
‘Ik voel me niet lekker’ zegt hij, de tranen lopen langs zijn witte gezichtje. Hij is bang voor overgeven.
Als iemand anders moet spugen, is hij weg. Het huis uit. Dan wacht hij elders tot de kust weer veilig is.
Ik sla een ochtendjas om zijn trillende lijf om samen naar beneden gaan. Naar de warme kachel.

Hij kruipt bij mij op schoot. Het kan nog, het past nog. 11 jaar is hij alweer. Als de dag van gisteren voel ik ons eerste fysieke contact. Zijn warme, natte lichaampje op mij liggen, voel ik hoe hij aan mijn borst drinkt, zie ik hem kruipen door de kamer.

De tijd glipt door mijn vingers. Geniet ik wel genoeg?

Hij is zo moe en wil naar bed. Als ik hem toestop vraagt hij of ik nog even bij hem wil liggen. Genoegelijk kruipt hij tegen mij aan.
‘Ik ga alle leuke dingen van vandaag opnoemen, daar word je namelijk beter van’
Terwijl hij ligt te kletsen, drijf ik weg, achter de Grote Gedachten aan.
Wat moeten ze als…, hoe moet het als…., stel dat ik….
Net als de Grote Gedachten met me op de loop willen gaan zegt zoon;
‘mam, vind jij het ook zo fijn bij mij in bed? Mijn heerlijkste plekje van alles, is bij jou’
Ik ben weer terug in zijn bed, dicht bij hem. Ik ben er NU.

  Groei
 ‘Zou een boblijn mij leuk staan mam?’
Ze vouwt haar lange blonde haren op, om zo een soort van boblijn te creëren.
Regelmatig laat ze me foto’s zien van kortere kapsels en vraagt dan naar mijn mening.
Ik ben op de helft van mijn chemo behandelingen en ik ben kaal.
Opgeblazen, rood en kaal.
Dat ik kaal zou worden, stond vast.
Hoe dat zou zijn, niet.
Het was spannend voor ons allemaal, dat kaal zijn.
Ik wist gelijk dat ik geen pruik zou gaan dragen.
Ik zag het al helemaal voor me, ben ik ergens, hangt die pruik scheef en uit beleefdheid Is er niemand die er iets van zegt. 
Wat zou erger zijn, dat iemand zegt dat je haar scheef hangt of dat niemand zegt dat je haar scheef hangt.
Of, floep, daar gaat ie, met de wind mee.
Net iets voor mij.
Nee, voor mij geen pruik.
Ik zoek het in de acceptatie.
Het is wat het is.
Mijn moeder haakt bij elk tenue een bijpassend mutsje.
Hip en warm.
Voor elke dag een andere.
Ook draag ik de donker blauwe Stetson van mij vader.
Hier voel ik me goed bij en daar gaat het om.
Ik blij en m’n moeder voldaan.
Win-win.
   ‘Hoelang zou het duren voordat ik het weer zo lang heb denk je?’
Zij is van de voorzetjes, ik van het schot.
Ik maak de afspraak bij de kapper en de lange, blonde vlechten gaan in een enveloppe naar KIKA
Dáár was het mijn dochter om te doen.
Het liefst wilde ze dat ik haar haren kon dragen, de schat, maar hé, ik wilde geen pruik.
Nu staat ze weer voor me, haar haren los over haar schouders.
De krullen dansen op mijn hoofd.
Het is alweer een jaar geleden dat ze het liet knippen en een jaar geleden dat ik kaal was flits het door mijn hoofd.
   ‘Ik denk dat ik het ongeveer tot hier laat groeien’  ze wijst een plek aan op haar rug.
We pakken een lineaal en meten dat haar haren het afgelopen jaar 14 cm zijn gegroeid.
14 cm in 12 maanden. 
12 bewogen maanden, waarin niet alleen ons haar gegroeid is.  

Piepschoem

Ik ben al ruim een week niet fit, wat geen positieve bijdrage levert aan mijn geestelijke gezondheid, merk ik. Ongemerkt heeft mijn blik een andere invalshoek gekregen, één waar ik niet blij van word. 

Twee weken geleden, in de wachtkamer bij de huisarts, is het begonnen, het doemdenken. 

Ik zit met de jongste rustig te wachten op onze beurt als ze er aan komen schuifelen. Twee oude mensen. Ooit waren ze jong, leerden ze fietsen en schaatsen. Werden ze verliefd en gingen trouwen. Kregen kinderen en werkten. Ooit waren ze sterk. Maar de tand des tijds slaat niemand over. Dus ook zij niet. Nu zijn ze hier. Moeizaam ter been, slechthorend en een afgetakeld lichaam, misschien een kwakkelende gezondheid, misschien ernstig ziek, net als ik. 

Ze gaan naast mij zitten, de Ongenode Gasten en praten ongevraagd mee.  “Zij hebben het gehaald, een heel leven en jij moet dat nog maar zien” 

Als ik om me heen kijk zie ik enkel nog verval. Er is maar één weg, die naar het einde. 

De Ongenode Gasten hebben gelijk, ik moet dat nog zien te halen. 

Ze blijven de rest van de week bij me en denken enthousiast mee, de verkeerde kant op. Het lukt me om te functioneren als moeder, vrouw, vriendin, (schoon)dochter etc. En toch ben ik er niet bij. “Iederiene die hef zich een kruus te droagen. Ik wens je een kruus van piepschoem” schrijft een vriendinnetje van vroeger aan mij, refererend aan een lied van Daniël lohues.

Helaas waren die al op toen ik aan de beurt was. 

Ik glimlach om haar lieve wens en tegelijkertijd besef ik dat vriendschap en liefde mijn kruis lichter maken. 

Dan komt de radioloog binnen.

Ze gaat tegen mij aan zitten en pakt mijn handen vast. Ze kijkt mij aan.

   ‘Het is niet goed wat we in je borst hebben gezien

Mijn oren toeteren. 

Waarom schreeuwt ze zo? 

Dan volgt een oorverdovende stilte. 

Ontzet gaan mijn ogen van haar naar Theo. Ze praten met elkaar en tegen mij. Ik zie dat ze tegen mij praten. 

Maar ik hoor alleen het schreeuwen van mijn hart: ik wil niet dood, ik wil mijn kinderen niet verlaten. 

Mijn ogen zoeken Theo’s geschokte gezicht en ik roep hun naam. 

Hun naam! 

Mijn hele lijf begint te trillen, tranen stromen over mijn wangen, Theo houdt mijn handen vast als de radioloog gaat doen wat ze moet doen. 

Ik ben daar niet meer. 

Ik ben weg. 

Waar weet ik niet, maar niet meer daar. 

Niet meer in dat lijf met die kanker. 

Nu even niet. 

Als de biopt is genomen kunnen we naar huis. 

Naar mijn moeder. 

Naar mijn schoonvader. 

Naar onze kinderen……. 

Hoe vertel je dit, zodat het niet een bominslag is? 

Theo is mijn rots. 

Hij praat, hij belt, hij legt uit, hij troost. 

Ik ben er niet. 

Ik ben weg. 

Ik weet niet waar ik ben maar niet daar, waar mijn moeder wit wegtrekt en huilend op n stoel zakt. 

Het lukt ons die avond om ‘gewoon’ te doen. Morgen vertellen we het aan de kinderen. 

Dan is het zaterdag en hebben ze de tijd eraan te wennen. 

Dat lukt. 

Slapen lukt niet. 

De Grote Gedachten komen binnen, ongevraagd als Ongenode Gasten. 

Langzaam voel ik me raar worden. Mijn hart gaat steeds sneller kloppen. Mijn ademhaling versnelt. 

Ik raak in paniek. 

Het duurt even voordat ik weer tot mezelf kom. 

Dan besluit ik; dit niet weer. Dit brengt me waar ik niet wil zijn. 

Ik ga dit het hoofd bieden, hoe dan ook…..

Dat was toen. 

Nu staan we op het punt om in de auto te stappen om naar onze afspraak op de afdeling Genetica in het UMCG te gaan. 

De zon schijnt en de vogels fluiten er lustig op los. 

Het voorjaar komt eraan.

Oorverdovend stil.

Er is weer onrust. 

Voor mijn ‘geval’ bestaat  geen protocol, we mogen zelf beslissen wat voor mij het beste is.

Wel of geen scan ter controle, PET of CT? Dit geeft ruimte voor eigen initiatief maar ook voor onzekerheid.

Nu ziekenhuisbezoeken weer in het verschiet liggen gaan mijn gedachten terug naar Hoogeveen, 13 oktober 2017, 11.00 uur.

Ik lig op de onderzoekstafel klaar voor de echo. Theo zit naast me. We kletsen ontspannen met de verpleegkundige. 

We weten nog van niets, behalve dat we samen oud worden. 

Misschien wel eerder gaan stoppen met werken, huis verkopen en dan in zo’n Tiny house wonen. Zelfvoorzienend, klimaatneutraal, op plekken waar je de zon ziet opkomen en ondergaan. Liefst bij zee. Ik hou zo van de zee. Als ik bij de zee in de ben maakt mijn hart altijd een sprongetje. 

Ik woon prachtig hoor, midden in de natuur, tussen twee nationaal parken in en ik ben er dankbaar voor. Maar mijn hart ligt bij de zee. 

Misschien was ik in een vorig leven wel een zeeheld, varend op mijn schip beleefde ik de spannendste avonturen. 

Of was ik de dochter van een visser die iedere zaterdag op de dijk naar haar vader en broers uitkeek. Dat laatste past meer bij mij aangezien ik al misselijk wordt bij het kijken naar een schommel. 

 Met mijn dochter ga ik een prachtige trouwjurk uitzoeken, die we geheim houden tot haar grote dag.

En wij worden misschien wel opa en oma. 

Wij jagen geen grote zaken na. 

Wij zijn hier gewoon even voor de zekerheid, ‘protocol,’ zo de huisarts zei. Hij had niets bijzonders kunnen ontdekken in mijn borst en ook de oncologisch chirurg voelde bij het lichamelijke onderzoek niets verontrustends. Ze vroeg me zelfs aan te wijzen wat ik voelde. Op de brief voor de radioloog schreef ze ‘geen bijzonderheden’ Verontschuldigend had ik voorgesteld om de mammogram en echo dan maar af te zeggen. Er is immers niets aan de hand?

*wordt vervolgd

Knallende gedachten 

Ik sta voor het raam.
Aan de binnenkant van ons huis.
Zij staan aan de andere kant van het raam.
Aan de buitenkant van ons huis.
Zij buiten, ik binnen.
Het is 12 minuten in 2019.
Ze steken het vuurwerk af dat ze samen, met aandacht, hebben uitgezocht.
Het is een serieuze aangelegenheid, vuur- werk kopen.
De folders werden al weken geleden uit- geplozen, wat is er allemaal te krijgen? Dat hoort bij de voorpret van oud en nieuw.
Als kind was Theo al gek van vuurwerk. Samen met zijn jongere broer verlekker- den ze zich rond de dozen met rotjes en astronauten. 

Met zakken vol gingen ze op pad. Knallen maar. Wat hadden ze een plezier. Naarmate zij groter werden, werden de pijlen ook groter en vader vond het goed. Dat was toen. Dit is nu. 

En nu sta ik hier en zij daar.
Zij met z’n drieën.
De ongenodigde gasten komen om me heen staan en gedreven praten zij op mij in.
‘Stel dat ik…. Dan, zij met z’n drieën, zonder mij.’
Zo ziet dat er dan uit.
Wat een heftig jaar heb ik achter de rug, in vele opzichten.
Wat voelt het onwerkelijk.
Al die ziekenhuisbezoeken, onderzoeken, scans, chemo’s, bestralingen, gesprekken en bijbehorende emoties. 

Ik ben daar geweest en nu ben ik hier. Dat is geweest.
Dichter ga ik bij het raam staan, hond ligt op mijn linkervoet, zoekt steun om het geknal, van al het vuurwerk buiten, te trotseren. 

Net zo als ik steun zocht bij anderen om dit jaar te trotseren.
Voor haar blijf ik binnen.
Aan de andere kant van het raam kijken ze, tussen het knallen door, naar mij en ze zwaaien enthousiast. 

Ik zwaai terug.
De ongenodigde gasten druipen onvoldaan af.
Ondanks het glas tussen ons in, ben ik erbij. Hoor ik bij hen en zíj bij mij, voor altijd. 

‘Bien Blogt’ 

Jacobien de Haan woont met haar man Theo en kinderen Hanna en Teun in Dieverbrug. Een gelukkig gezin, zonder zorgen, totdat Jacobien in 2017 in een arbeidsconflict belandt. ‘Ik werkte 23 jaar voor deze organisatie. Met de komst van een nieuwe leidingge- vende ging het mis. Ik stond met lege handen. Geen werkplek meer. Pats, boem. Dat dit zo kon gaan, heeft wat gedaan met mijn zelfvertrouwen. Ik dacht: dat moet anders kunnen. Er moet een manier zijn dat ik me niet meer zo kan laten raken.’ 

Ze volgt een workshop over conflicthantering. Een andere bena- dering. Dit spreekt haar zó aan dat ze de bijbehorende opleiding wil gaan volgen, maar dan blijkt ze ziek te zijn: borstkanker. Wéér een heftige periode. ‘In de eerste weken gebeurde er zoveel: on- derzoeken, gesprekken, scans. In de nachten dat ik wakker in bed lag bedacht ik dat ik hier wel een boek over zou kunnen schrijven. Maar mijn hoofd zat te vol, stond op standje overleven. Daarna trok de chemotherapie een mistgordijn op. Ik was blij dat ik mijn naam nog kon schrijven. Toen de mist weer optrok, kwam ook de behoefte om te schrijven weer naar voren.’ 

Door een bijzondere ontmoeting neemt Jacobien de pen ter hand. Met ingang van vandaag deelt ze tweewekelijks haar ge- voelens en gedachten met de lezers van deze krant. In ‘Bien Blogt’ durft ze zich kwetsbaar op te stellen. Het gaat over leven met kanker, het moederschap en andere dingen, die ze tegen- komt op de weg van hier naar daar. 

Jacobien: ‘Het schrijven heeft mij in korte tijd erg veel gebracht. Het heeft me ruimte in mijn hoofd en hart gegeven. Vrijheid. Los- laten van ‘wat een ander vindt.’ Mooie contacten. Het komt goed, misschien anders dan ik verwacht of ik zou willen, maar ook goed.’ 

DIEVERBRUG / MEPPEL – In het najaar van 2017 krijgt Jaco- bien de Haan uit Dieverbrug te horen dat ze borstkanker heeft. Het is het begin van een heftige periode, waarin ze voortdurend balanceert op een wankel koord. Leven tussen hoop en vrees. Zeven maanden chemo, daarna drieëntwintig bestralingen. Nu is ze genezen verklaard, hoewel ze het moeilijk vindt om dat hardop uit te spre- ken. ‘Het is een zwaar, maar ook mooi jaar geweest. Ik heb mezelf beter leren kennen. Er ligt een stevige bo- dem.’ 

Flip Vellinga 

De afspraak is gemaakt in een horecaetablisse- ment in de binnenstad van Meppel. Jacobien heeft er geluncht met een vrien- din. De begroeting is hartelijk en warm. Ze heeft zelf contact ge- zocht met de redactie, omdat ze haar ervaringen van de afgelopen maanden heeft verwerkt in blogs en die graag wil delen met de le- zers van deze krant. Het schrijven heeft haar geholpen bij de verwer- king van de emoties, maar het is veel méér geworden: de blogs bie- den ook hoop en troost voor men- sen die in soortgelijke omstandig- heden verkeren. Ze zijn heel her- 

kenbaar. Jacobien lacht en neemt een slok van haar thee. ‘Ik ben puur en doorsnee. In mijn verha- len laat ik ook mijn minder mooie kanten en zwakke momenten zien.’ 

Uitzaaiingen 

Terug naar het najaar van 2017. Jacobien, die als teamcoördinator werkt in de gehandicaptenzorg, is verwikkeld in een arbeidsconflict, waardoor haar zelfvertrouwen een behoorlijke knauw heeft gekregen. Dan wordt, niet veel later, borst- kanker bij haar geconstateerd. Haar wereld stort in. 

Terugkijkend: ‘De onderzoeken wezen uit dat er uitzaaiingen wa- ren naar mijn ruggenwervel. Ik 

Jacobien de Haan: ‘Ik leef nu veel intenser dan vóór mijn ziekte.’ 

had al een tijd buikpijn, maar ik dacht dat het stress was door de problemen op mijn werk. Achteraf is de PET-scan mijn redding ge- weest. De eerste nacht nadat de diagnose was vastgesteld kreeg ik in bed een paniekaanval. Ik dacht maar één ding: ik ga dood. Het vooruitzicht van de behandeling maakte me bang. Alles uit het ver- leden kwam voorbij. Mijn vader is 

tien jaar ziek geweest en kon abso- luut niet tegen de chemo’s die hij kreeg. Ik wist het zeker: dat trek ik niet.’ 

Innerlijke rust 

Ze gaat opnieuw in gesprek met de artsen en al snel gaat de knop om. Ze start met de behandeling en vindt innerlijke rust, onder meer na een bezoek aan het Anto- 

ni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam. De artsen zetten in op genezing. 

‘Nee, ik voelde geen boosheid’, zegt Jacobien op deze zonnige wintermiddag. ‘Dacht ook niet : waarom ik? Van Edith Eger las ik het boek De Keuze. Dat hielp bij de verwerking. Je hebt altijd een keu- ze. Hoe moeilijk het soms ook is: het kan een nieuw begin zijn. Bij mij is dat zeker het geval. Ik leef nu veel intenser dan vóór mijn ziekte. Van kleine dingen kan ik veel meer genieten.’ Natuurlijk heeft ze ook haar zwakke momenten, daar is ze heel eerlijk in. ‘Ik moet het ver- trouwen in mijn lichaam terug- krijgen. Soms lig ik hele nachten wakker.’ 

Beladen 

Jacobien bouwt even een pauze in. Haar sprekende ogen dwalen af. Dan, op rustige toon: ‘Ik geloof niet in toeval. Tijdens een wande- ling met mijn man Theo rende on- ze jonge hond een weiland in. Daar stond een mevrouw, met wie we in gesprek raakten. Wat hebben jullie een leuke pup, zei ze. Ik rea- geerde dat zij ook een mooie hond had. Ze vertelde dat hij ernstig ziek was. Toen werd het even stil. Het was een lastig onderwerp. Dan merk je hoe beladen het woord kanker nog altijd is. Ik vertelde dat ik ook kanker had. Daar schrok ze enorm van. We raakten aan de praat. Het bleek Marcella Kleine te zijn, schrijfster van dertien boe- ken. Ik vertelde dat ik zoveel had meegemaakt dat ik daar ook best een boek over kon schrijven. Ge- woon beginnen, reageerde Mar- cella.’ 

Dat advies volgt Jacobien op, al is de start van haar schrijfcarrière 

ronduit opmerkelijk. De laptop blijft aanvankelijk dichtgeklapt. Alle informatie wordt opgeslagen in haar mobieltje. ‘Ik werd op een nacht wakker en had opeens wat zinnen in mijn hoofd. Ik heb mijn telefoon gepakt en heb mijn ver- haal getikt in de notities. Dat heb ik later verder uitgewerkt en naar Marcella gestuurd. Ze reageerde positief. Ik ben daarna anoniem op Instagram begonnen. Ik schrijf vanuit mijn hart en merk dat men- sen het waarderen. In het begin vond ik het heel spannend, maar nu ik zoveel reacties krijg, geeft me dat enorm veel steun. En de inspi- ratie om door te gaan. Uiteindelijk wil ik mijn verhalen graag bunde- len in boekvorm.‘ 

Ook in maatschappelijk opzicht heeft Jacobien, die in december 45 jaar is geworden, de draad weer opgepakt. Ze zit in een re-integra- tietraject op haar werk, waar de plooien inmiddels zijn gladgestre- ken. Daarnaast start ze in maart van dit jaar met een opleiding tot mediator/lifecoach. Het is haar missie om als ervaringsdeskundi- ge mensen bij te staan die verwik- keld zijn in conflictsituaties, op welke manier of in welke vorm dan ook. 

Wat de toekomst brengt, weet ze niet, wel dat ze er nú is. ‘En daar maak ik wat van!’ 

 

Wendbare wending 

Altijd als ik langs rijd, kijk ik opzij. Een karakteristiek Drents boerderijtje naast de ijsbaan, en nu sta ik daar voor de deur.
Ik hoef niet aan te bellen, de hond laat al weten dat ik er ben. 

Gastvrij zwaait de deur open en laat ze me binnen.
16 jaar woont ze al in mijn dorp en ik ben haar nog nooit tegengekomen. 

Tot laatst. 

In tranen loop ik met Theo een ronde met de hond.
‘Ik kan nooit meer gewoon werken, wie wil er nou een kankerpatiënt aan het werk? 

Ik weet het zeker, 44 jaar en afgeschreven’, klaag ik.
Door mijn tranen heen zie ik dat hond onder de draad door glipt om haar vrolijk te begroeten. Zij begroet hond enthousiast terug. 

‘Wat een leukerd!’ merkt ze op.
Ze staat, in een weiland, poep op een kruiwagen aan het scheppen. Haar hond staat ons rustig, op afstand te observeren.
‘Hij is ernstig ziek, wat ben ik daarvan geschrok- ken. Stel dat je zelf zo’n boodschap krijgt’ vertelt ze mij in haar onwetendheid over mijn situatie. Ik zeg haar dat ik me dat levendig kan voorstellen en stel haar op de hoogte van mijn ervaring met kanker en dat ik daar wel een boek over zou kunnen schrijven. 

Als blijkt dat zij schrijfster is ben ik een en al aandacht.
Ik spreek mijn waardering uit over het schrijvers- vak.
Dat ik dat zo knap vind en dat ik dat nooit zou kunnen! En trouwens wie zit er op te wachten? Daar is zij het niet mee eens en als we afscheid nemen bindt ze mij op hart te gaan beginnen met schrijven.
‘Schrijf vanuit je hart, ik kijk ernaar uit!’
Zo ontmoeten wij elkaar.
Ik kwam haar op het juiste moment tegen.
En nu zit ik op haar bank.
Zij schrijft boeken en heeft een eigen uitgeverij. Zij maakt mij enthousiast om te gaan schrijven, zij wil me op weg helpen.
Door haar verhalen en uitleg groeit mijn enthousiasme en zekerheid dat ik op het juiste spoor zit. Mijn energie stroomt weer. Ik krijg weer lucht.
Ik zie weer mogelijkheden voor deze kankerpatiënt.
Zij vertelt dat haar paard deze week naar een andere stal verhuist.
6 jaar staat hij daar. Ik loop daar zo vaak langs en ben haar nooit eerder tegen gekomen.
En net nu, vlak voordat ze daar vertrekt, ontmoeten we elkaar.
Ik voel me gedragen.
Ze is op mijn pad gezet.
Ik krijg niet waar ik om vraag, ik krijg wat ik nodig heb. 

Ik sta voor het raam. Aan de binnenkant van ons huis. Zij staan aan de andere kant van het raam. Aan de buitenkant van ons huis. Zij buiten, ik binnen. Het is 12 minuten in 2019. Ze steken het vuurwerk af dat ze samen, met aandacht, hebben uitgezocht. Het is een serieuze aangelegenheid, vuurwerk kopen. De folders werden al weken geleden uit gepluist, wat is er allemaal te krijgen? Dat hoort bij de voorpret van oud en nieuw. Als kind was Theo al gek van vuurwerk. Samen met zijn jongere broer verlekkerden ze zich rond de dozen met rotjes en astronauten. Met zakken vol gingen ze op pad. Knallen maar. Wat hadden ze een plezier. Naarmate zij groter werden, werden de pijlen ook groter en vader vond het goed. Dat was toen.  Dit is nu. En nu sta ik hier en zij daar. Zij met zn drieën. De ongenodigde gasten komen om me heen staan en praten op mij in. Stel dat ik…. Dan, zij met zn drieën, zonder mij.  Zo ziet dat er dan uit. Wat een heftig jaar heb ik achter de rug, in vele opzichten. Wat voelt het onwerkelijk. Al die ziekenhuisbezoeken, onderzoeken, scans, chemo’s, bestralingen, gesprekken en bijbehorende emoties. Ik ben daar geweest en nu ben ik hier. Dat is geweest. Dichter ga ik bij het raam staan, hond ligt op mijn linkervoet, zoekt steun om het vuurwerk te trotseren. Net zo als ik steun zocht bij anderen om dit jaar te trotseren. Voor haar blijf ik binnen. Ze kijken naar mij en zwaaien. De ongenodigde gasten druipen af. Ondanks het glas tussen ons in, ben ik erbij. Hoor ik bij hun en zij bij mij, voor altijd