Je maintiendrai

Zwaar onder de indruk van de toespraak van premier Rutte op die bewuste  zondagavond vul ik zwijgend de vaatwasser. Langzaam wordt, voor onze eigen veiligheid, onze bewegingsruimte beperkt. De scholen gaan dicht. Dochter en zoon zijn al dagen online aan met hun netwerk aan het speculeren. Hoopten zelfs op sluiting van de scholen. Dat leek ze wel wat, een paar weken extra vakantie. Lekker met vrienden en vriendinnen afspreken. Shoppen, zwemmen, chillen, ideaal zo’n virus. 

Maar als premier Rutte in diezelfde toespraak vertelt dat we zoveel mogelijk thuis moeten blijven, scholen online les gaan geven, je 1-2 meter afstand tot de ander moet houden, we regelmatig onze handen moeten wassen en de dramatische gevolgen van het virus uiteen zet, slaat de euforie om in ontzetting. Dát trekken ze niet, dáár hebben ze geen zin in!

Als blijkt dat de school open blijft voor kinderen van ouders met viatale beroepen, wordt daar nog een mogelijkheid gezien maar al gauw komen ze ook van die koude kermis thuis. 

Het is wat het is. 

Ik blijf stil en onder de indruk van alles wat er de daarop komende dagen op me af komt. 

Kreunend en piepend komt ons land tot stilstand. 

Maar als ik verder kijk dan komt er een andere beweging tot leven. De veerkracht van de mens. Het vermogen om door te gaan, weliswaar op een andere manier maar ook goed. Men gaat meer buiten bewegen, er is meer tijd voor elkaar, men wenst elkaar succes en sterkte, er is oog en begrip voor elkaar,  er is tijd voor bezinning. 

Voor mij een herkenbare situatie die parellen trekt  met de tijd waarin ik kanker had. De fases van verbijstering, lamgeslagen, acceptatie en veerkracht kwamen destijds voorbij. In die persoonlijke crisis kwam voor mij heel sterk de vraag naar voren van hoe ik verder wilde met mijnleven. Vanuit die urgentie heb ik beslissingen genomen en stappen gezet die ik anders misschien niet gezet zou hebben. Ik worstelde en kwam boven.

Die fases zie ik nu in het groot voorbij komen en dat maakt mij naast verdrietig ook blij. Het omkijken naar elkaar, de verbinding met elkaar, de rust en wellicht de reflectie die wij in deze tijd cadeau krijgen. Waar rennen we met elkaar naartoe? Wat kopen we allemaal? Hoe materialistisch zijn we? Waar gaat het eigenlijk om in het leven?

We worden tot stilstand gebracht maar krijgen de uitnodiging om in beweging te komen. 

Je maintiendrai 

Kerstgevoel 

‘Geboortedatum?’

‘25-12-1973’

‘Oh, je bent een kerstkind! Wat lijkt me dat vreselijk. Het is altijd Kerst, mensen zijn druk met boodschappen, cadeau’s, eten en visite. Kortom met Kerst bezig. Vind je dat niet vervelend?’ 

Of:

‘Ben je met Kerst jarig? Dat lijkt mij nou niks aan’ 

Of:

‘Dat is toch 1e of 2e Kerstdag? Wat een vreselijke dag om jarig te zijn’

Of:

‘Ohhhhhh, een kerstkind! Wat enig! Het is zo’n leuke tijd’ 

Zomaar wat opmerkingen n.a.v. mijn verjaar dag.  Nou wil ik erbij opmerken dat de laatste niet vaak voorkomt,

wat ik eigenlijk best jammer vind want ik vind het een prima dag om jarig te zijn. Het is namelijk altijd in de kerstvakantie. Alles is altijd feestelijk versierd en verlicht. Kerstboom, lichtjes, kaarsen, lekkers. Familie.

Men onthoudt deze datum makkelijk. 

Men komt als ze kunnen en anders niet, wat ook goed is en ik vier het alleen op die dag. 

Allemaal pre’s in mijn beleving.

Maar dit jaar was het een beetje anders. 

Het voelde anders. 

25-12-1973 echoëde door mijn hoofd, als zijnde de zuster met de naald. 

  ‘Geboortedatum?’      ‘25-12-1973’ 

  ‘Check’

Dan de naald erin, zak eraan en het gif dat mijn leven moest gaan beschermen stroomde mijn aderen in. 

Het langzaam moe worden terwijl de chemo stroomt. De rare smaak in mijn mond en de onrust in mijn hoofd is wat ik nu associeer met 25-12-1973. 

25-12-2019 en ik ben jarig. 46 jaar word ik vandaag. 2 jaar heb ik erbij gekregen waar ik heel dankbaar voor ben. 

Als ik ‘s middags naast de visite op de bank zit, zie ik een koppie met witte, blonde haren het pad naar onze voordeur oplopen. Ik spring overeind, verslik me in de appeltaart en haast me naar de voordeur. 

Ik houd haar stevig tegen mij aangedrukt. Ik hoef haar niet eens te zien, ik voel haar. 

Mijn vriendinnetje van vroeger. Na de middelbare school hebben we elkaar nooit weer gezien en nu staan we stijf tegen elkaar aan op mijn stoep. ‘Niet huilen hoor’ zegt ze. 

  ‘Het was vreselijk’ zeg ik in haar haren. 

  ‘Ik weet het’ is haar antwoord. ‘Het is ook vreselijk. Ga maar gauw weer naar binnen, naar je visite. Ik ga naar m’n moeder maar wilde je even zien.’

Ze drukt een pakje in mijn handen en stapt in de auto. Ik zwaai en er zwaaien allemaal handen terug. Wat een geluk. 

Het kan. 

Een ouder missen als je kind bent en toch gelukkig worden. 

25-12-1973.

Zij wist het nog en kwam om me te feliciteren.

Het echte Kerstgevoel. 

Schuilplaats 

Het begint steeds harder te regenen als hond en ik het dijkje richting huis weer oplopen. Van onder de paraplu zwaai ik naar haar.

Zij loopt onderlangs en zwaait terug. Als ze mij herkent vraagt ze enthousiast hoe het met mij gaat, dat ze mijn folder heeft gelezen en dat ze het zo gaaf vindt dat ik een eigen coachingspraktijk ben begonnen.

Door het gekletter van de regen op mijn paraplu en de rietkraag tussen ons in, kan ik haar niet goed verstaan waardoor ik roep dat ik haar tegemoet loop. We ontmoeten elkaar bij de sluis waar ik drie dikke kussen van haar krijg. Ze vraagt me van alles en door haar enthousiasme stel ik voor om in de oude, zwarte schuur bij de sluis te schuilen. 

Eenmaal binnen begint ze te vertellen wat de folder met haar deed. Dat ze veel verdriet heeft gekend de afgelopen 10 jaar maar dat de scheiding van haar man er het meest inhakt. Ze is in rouw om iemand die nog leeft. Verder leeft zonder haar.

Dan komen de tranen in haar mooie, zachte ogen. Ze had nooit gedacht dat dit zou gebeuren en toch is het zoals het is. Het gaat al veel beter hoor, zegt ze terwijl ze haar wangen droog veegt. Ik slik al geen medicatie meer en het slapen lukt ook beter. Ik werk en ga naar feestjes maar echt goed voel ik me niet. Ik heb nog wel wat op te lossen.  

Ze vraagt zich af hoe ik zo snel na mijn ziekte zoveel energie heb om aan anderen te geven. Als ik haar vertel dat ik juist energie krijg van mijn werk als coach, kijkt ze me vragend aan.

‘Delen heelt’ zeg ik en ik leg haar uit dat ik mijn verhaal gebruik als voorbeeld, om de ander weer op de rit te krijgen. ‘Ik denk dat ik toch je folder er nog eens bij pak’ zegt ze.

Ondertussen is het buiten droog geworden en ook tijd om verder te gaan. Ik pak haar nog even vast, wens haar het beste, het leven is immers te kort om te blijven treuren? Hoe moeilijk ook.  De beste schuilplaats zit diep van binnen en zal er altijd zijn.

Als ik naar huis loop voel ik me gelukkig, gelukkig dat we elkaar hebben aangeraakt en even konden schuilen, bij elkaar.                                                                 

 

De Haven.

Ondanks dat het buiten erg warm is, heb ik het koud. We zitten, voor de tweede keer, in de wachtkamer van het bestralingscentrum.  Door de gaten in mijn geheugen, kan ik me hier niets meer van herinneren en lijkt het of ze verbouwt hebben. Onze koningin staart me aan, vanaf de leestafel. 

“Tik tik tik tik” kordate hakjes onder een witte jas  komen onze kant oplopen. Kort koppie en n olijk gezicht. ‘Oh leuk, dat is ze vast’ fluister ik Theo al stotend aan. Als ze mijn naam noemt, blijk ik gelijk te hebben. Ik kijk op de klok, ze is exact op tijd. Met een vriendelijke glimlach stelt ze zich voor. Mijn radio-therapeut. Ik vind haar gelijk leuk en er komt iets van licht en lucht in mijn gespannen zijn. 

Ze loopt  vlot voor ons uit, haar spreekkamer in.

Bij binnenkomst valt mijn oog op het computerscherm, met daarop beelden van mijn lichaam, weet ik ondertussen te onderscheiden uit die vage schaduwen. Beelden met stipjes. Tijdens de onderzoeken wilde ik geen beeldmateriaal zien. Theo zat er met zijn neus bovenop. Ik geloofde het wel. Te confronterend. Alles stap voor stap. Als ze vraagt hoe het gaat, ben ik al in tranen. De chemo zit nog volop in mijn lijf, ik ben gespannen en emotioneel. Bang voor wat er komen gaat.

Bewust lees ik niets op internet over mijn ziekte en vraag ik dokter Google niet om raad.   Advies en verhalen over bijwerkingen krijg ik zo wel, ongevraagd, uit mijn omgeving. Zelfs de desbetreffende zalf, die ik het best kan gebruiken voor de open wonden die ik straks krijg, wordt aanbevolen. Ik word daar onzeker van en bang. Wat staat mij te wachten?

Ik heb geluk. Tegenover mij zit een heldere, lieve arts. Ze ziet mijn strijd. Rustig legt ze alles uit en waar ik de draad kwijt ben, legt ze het nog een keer uit. Wat ga ik doen? Nog een operatie met kans op toch ook nog bestralen? Of alleen bestralen? Ook de, eventuele, bijwerkingen bespreken we. Alles wat kan gebeuren maar niet hoeft te gebeuren. Dat hoort erbij, de patiënt volledig inlichten.

Het is een groot “niet weten” alles is “misschien” of “kans op” Het tolt door mijn hoofd. ‘Wat moet ik doen?’ Vraag ik haar. ‘Luister naar je gevoel, dan doe je wat bij jou past’ Aangezien ik zo weinig mogelijk behandelingen wil, en bestraling net zo effectief als opereren is, kies ik voor de boot van de bestraling. Haar boot.

Bij het afronden, zeg ik toch nog even dat haar meisjesnaam mij bekend voorkomt. En daar gaat haar blik naar Theo. ‘Nou, dan wend ik mij tot u. U komt mij zo bekend voor!’ Algauw blijkt dat ze elkaar al eens hebben ontmoet en waar de connectie ligt. En dan blijkt ze ook nog eens gewoond te hebben in het huis waarin mijn vriendin nu woont. In ons dorp! Geamuseerd nemen we afscheid.

Ik stap in deze boot, en met haar als  mijn kapitein vertrouw ik erop dat ik de haven bereik. 

De haven heb ik bereikt, met haar.

Mijmerend sta ik nu op een andere boot. De boot van Harlingen naar Terschelling. We zijn een jaar verder. Ik haal diep adem, geniet van de zeewind op mijn gezicht en stap de haven op. Deze keer die van Terschelling.

Het is weer een zonnige dag, de zoveelste. Na een schitterend paasweekend schijnt ze vrolijk door. Ik doe wat ik denk te moeten doen. Stofzuigen, hond uitlaten, praatje maken met mensen die met de boot voor ons liggen, thee zetten én op de klok kijken. Dit alles met een steeds strakker wordende knoop in mijn maag. Man komt op tijd thuis om mij bij te staan. We hebben het er niet over. We praten niet over het grote “als”. 

Tijdens de rit naar het ziekenhuis verwonder ik mij over de gestaag groen wordende bomen. Was dat vorig jaar om deze tijd ook zo? Ik weet het niet meer. Vorig jaar om deze tijd had ik nog twee chemo’s te gaan.  Hoe anders sta ik er nu voor. Hoop ik. Als we de auto parkeren, kijk ik ook hier om me heen. Alles komt binnen. De zon, het fluiten van de vogels, de geur van de bloesem, het jonge blad aan de bomen, pratende mensen en stille mensen. Wij zijn, op het oog, een gezellig pratend stel. Niets is wat het lijkt. 

In de wachtkamer op de mammapoli zitten dames zwijgend in tijdschriften te bladeren. Wachten op wat komen gaat. 

Als we na de mammogram gevraagd worden bij de arts te komen, voel ik niets. Ik ben leeg. Niet bang, niet boos of verdrietig, niet nerveus, niet vol vertrouwen. Gewoon niets. Wanneer blijkt dat er op de foto ook niets is gezien, stroom ik weer vol. Vol geluk, leven,  liefde én zin. Zin in het leven. Nu hebben we het wél over “als”. Als we thuis zijn, gaan we de vakantie regelen! Buiten schijnt nog steeds de zon en het lijkt nóg groener.

Leiden of lijden

‘Mam heb je al iets gehoord van het UMCG over de uitslag van het erfelijkheidsonderzoek?’ We staan in de badkamer. Ik poets mijn tanden en zij staat onder de douche. Het is de zoveelste keer dat ze me, schijnbaar achteloos, deze vraag stelt.

‘Ze is nog maar 13’ flits het door mijn hoofd.

‘Heb ik er wel goed aan gedaan om haar in deze procedure te betrekken? Waar belast ik haar mee? Wat als…?’

De Ongenode Gasten doen hun intrede. Ze hebben gelijk een mening én een conclusie, namelijk dat ik het niet goed heb gedaan en dus geen goede moeder ben.

Ondertussen wordt er achter mij, druk doorgekletst over een moeder van een vriendinnetje van een meisje die ook borstkanker heeft maar niet meer beter wordt.

‘Jij bent beter, toch?’

Terwijl ze het zegt zie ik in één oogopslag de check én de scan.

Ik hum met de tandenborstel in mijn mond.  De Ongenode Gasten hummen mee de andere kant op.

De kant die ik niet op wil.

Ik spuug de tandpasta uit, spoel mijn mond en kijk haar aan.

‘Hoe is het voor jou dat we wachten op deze uitslag?’ Vraag ik haar.

‘Eerst vond ik het heel spannend en dacht ik er steeds aan, nu denk ik, ik zie het wel en als het zo is zien we het dan wel weer.’

Met afhangende schouders druipen de Ongenode Gasten af. Dáár hebben ze het niet van terug. Dát is je leven leiden i.p.v. lijden.

Een paar dagen later sta ik met een enveloppe van het UMCG in mijn handen bij de brievenbus. Hij brandt in mijn vingers. Mijn ademhaling versnelt en mijn hart klopt harder dan anders.

Ik sta stil.

Ik weet hét nog niet.

Ik sta op een grens waarvan ik denk te weten waar ik nu ben en niet weet hoe het zal zijn na het openen van deze enveloppe.

Negeren zal niet gaan.

Met trillende vingers peuter ik het papier kapot. Lezen gaat niet. Mijn ogen zoeken maar één woord en ze vinden het. GEEN, staat er vet gedrukt. Meer hoef ik niet te lezen. Tranen van blijdschap én opluchting lopen over mijn wangen. Als ik mijn dochter dit nieuws vertel blijft het even stil aan de andere kant van de lijn…..echt?….YEAH!!!  Het is niet erfelijk, we krijgen geen borstkanker! Roept ze haar broertje toe.

 

OVERGEVEN

‘Mam, wil je boven komen?’
Ik spring op. Aan de toon van zijn stem hoor ik dat er iets is.
In de loop grits ik een emmer mee.

Zoon staat gebukt boven de toiletpot.
‘Ik voel me niet lekker’ zegt hij, de tranen lopen langs zijn witte gezichtje. Hij is bang voor overgeven.
Als iemand anders moet spugen, is hij weg. Het huis uit. Dan wacht hij elders tot de kust weer veilig is.
Ik sla een ochtendjas om zijn trillende lijf om samen naar beneden gaan. Naar de warme kachel.

Hij kruipt bij mij op schoot. Het kan nog, het past nog. 11 jaar is hij alweer. Als de dag van gisteren voel ik ons eerste fysieke contact. Zijn warme, natte lichaampje op mij liggen, voel ik hoe hij aan mijn borst drinkt, zie ik hem kruipen door de kamer.

De tijd glipt door mijn vingers. Geniet ik wel genoeg?

Hij is zo moe en wil naar bed. Als ik hem toestop vraagt hij of ik nog even bij hem wil liggen. Genoegelijk kruipt hij tegen mij aan.
‘Ik ga alle leuke dingen van vandaag opnoemen, daar word je namelijk beter van’
Terwijl hij ligt te kletsen, drijf ik weg, achter de Grote Gedachten aan.
Wat moeten ze als…, hoe moet het als…., stel dat ik….
Net als de Grote Gedachten met me op de loop willen gaan zegt zoon;
‘mam, vind jij het ook zo fijn bij mij in bed? Mijn heerlijkste plekje van alles, is bij jou’
Ik ben weer terug in zijn bed, dicht bij hem. Ik ben er NU.

  Groei
 ‘Zou een boblijn mij leuk staan mam?’
Ze vouwt haar lange blonde haren op, om zo een soort van boblijn te creëren.
Regelmatig laat ze me foto’s zien van kortere kapsels en vraagt dan naar mijn mening.
Ik ben op de helft van mijn chemo behandelingen en ik ben kaal.
Opgeblazen, rood en kaal.
Dat ik kaal zou worden, stond vast.
Hoe dat zou zijn, niet.
Het was spannend voor ons allemaal, dat kaal zijn.
Ik wist gelijk dat ik geen pruik zou gaan dragen.
Ik zag het al helemaal voor me, ben ik ergens, hangt die pruik scheef en uit beleefdheid Is er niemand die er iets van zegt. 
Wat zou erger zijn, dat iemand zegt dat je haar scheef hangt of dat niemand zegt dat je haar scheef hangt.
Of, floep, daar gaat ie, met de wind mee.
Net iets voor mij.
Nee, voor mij geen pruik.
Ik zoek het in de acceptatie.
Het is wat het is.
Mijn moeder haakt bij elk tenue een bijpassend mutsje.
Hip en warm.
Voor elke dag een andere.
Ook draag ik de donker blauwe Stetson van mij vader.
Hier voel ik me goed bij en daar gaat het om.
Ik blij en m’n moeder voldaan.
Win-win.
   ‘Hoelang zou het duren voordat ik het weer zo lang heb denk je?’
Zij is van de voorzetjes, ik van het schot.
Ik maak de afspraak bij de kapper en de lange, blonde vlechten gaan in een enveloppe naar KIKA
Dáár was het mijn dochter om te doen.
Het liefst wilde ze dat ik haar haren kon dragen, de schat, maar hé, ik wilde geen pruik.
Nu staat ze weer voor me, haar haren los over haar schouders.
De krullen dansen op mijn hoofd.
Het is alweer een jaar geleden dat ze het liet knippen en een jaar geleden dat ik kaal was flits het door mijn hoofd.
   ‘Ik denk dat ik het ongeveer tot hier laat groeien’  ze wijst een plek aan op haar rug.
We pakken een lineaal en meten dat haar haren het afgelopen jaar 14 cm zijn gegroeid.
14 cm in 12 maanden. 
12 bewogen maanden, waarin niet alleen ons haar gegroeid is.  

Piepschoem

Ik ben al ruim een week niet fit, wat geen positieve bijdrage levert aan mijn geestelijke gezondheid, merk ik. Ongemerkt heeft mijn blik een andere invalshoek gekregen, één waar ik niet blij van word. 

Twee weken geleden, in de wachtkamer bij de huisarts, is het begonnen, het doemdenken. 

Ik zit met de jongste rustig te wachten op onze beurt als ze er aan komen schuifelen. Twee oude mensen. Ooit waren ze jong, leerden ze fietsen en schaatsen. Werden ze verliefd en gingen trouwen. Kregen kinderen en werkten. Ooit waren ze sterk. Maar de tand des tijds slaat niemand over. Dus ook zij niet. Nu zijn ze hier. Moeizaam ter been, slechthorend en een afgetakeld lichaam, misschien een kwakkelende gezondheid, misschien ernstig ziek, net als ik. 

Ze gaan naast mij zitten, de Ongenode Gasten en praten ongevraagd mee.  “Zij hebben het gehaald, een heel leven en jij moet dat nog maar zien” 

Als ik om me heen kijk zie ik enkel nog verval. Er is maar één weg, die naar het einde. 

De Ongenode Gasten hebben gelijk, ik moet dat nog zien te halen. 

Ze blijven de rest van de week bij me en denken enthousiast mee, de verkeerde kant op. Het lukt me om te functioneren als moeder, vrouw, vriendin, (schoon)dochter etc. En toch ben ik er niet bij. “Iederiene die hef zich een kruus te droagen. Ik wens je een kruus van piepschoem” schrijft een vriendinnetje van vroeger aan mij, refererend aan een lied van Daniël lohues.

Helaas waren die al op toen ik aan de beurt was. 

Ik glimlach om haar lieve wens en tegelijkertijd besef ik dat vriendschap en liefde mijn kruis lichter maken. 

Dan komt de radioloog binnen.

Ze gaat tegen mij aan zitten en pakt mijn handen vast. Ze kijkt mij aan.

   ‘Het is niet goed wat we in je borst hebben gezien

Mijn oren toeteren. 

Waarom schreeuwt ze zo? 

Dan volgt een oorverdovende stilte. 

Ontzet gaan mijn ogen van haar naar Theo. Ze praten met elkaar en tegen mij. Ik zie dat ze tegen mij praten. 

Maar ik hoor alleen het schreeuwen van mijn hart: ik wil niet dood, ik wil mijn kinderen niet verlaten. 

Mijn ogen zoeken Theo’s geschokte gezicht en ik roep hun naam. 

Hun naam! 

Mijn hele lijf begint te trillen, tranen stromen over mijn wangen, Theo houdt mijn handen vast als de radioloog gaat doen wat ze moet doen. 

Ik ben daar niet meer. 

Ik ben weg. 

Waar weet ik niet, maar niet meer daar. 

Niet meer in dat lijf met die kanker. 

Nu even niet. 

Als de biopt is genomen kunnen we naar huis. 

Naar mijn moeder. 

Naar mijn schoonvader. 

Naar onze kinderen……. 

Hoe vertel je dit, zodat het niet een bominslag is? 

Theo is mijn rots. 

Hij praat, hij belt, hij legt uit, hij troost. 

Ik ben er niet. 

Ik ben weg. 

Ik weet niet waar ik ben maar niet daar, waar mijn moeder wit wegtrekt en huilend op n stoel zakt. 

Het lukt ons die avond om ‘gewoon’ te doen. Morgen vertellen we het aan de kinderen. 

Dan is het zaterdag en hebben ze de tijd eraan te wennen. 

Dat lukt. 

Slapen lukt niet. 

De Grote Gedachten komen binnen, ongevraagd als Ongenode Gasten. 

Langzaam voel ik me raar worden. Mijn hart gaat steeds sneller kloppen. Mijn ademhaling versnelt. 

Ik raak in paniek. 

Het duurt even voordat ik weer tot mezelf kom. 

Dan besluit ik; dit niet weer. Dit brengt me waar ik niet wil zijn. 

Ik ga dit het hoofd bieden, hoe dan ook…..

Dat was toen. 

Nu staan we op het punt om in de auto te stappen om naar onze afspraak op de afdeling Genetica in het UMCG te gaan. 

De zon schijnt en de vogels fluiten er lustig op los. 

Het voorjaar komt eraan.